Hoe kunnen we een kankerbehandeling nog beter afstemmen op de individuele patiënt?

‘Patient Reported Outcome’-onderzoek wil de inbreng van de patiënt beter in rekening brengen bij het uitstippelen en uitvoeren van individuele kankerbehandelingen. Een onderzoeksproject wil de noden in kaart brengen die kankerpatiënten hebben tijdens hun bestralingsbehandeling.

Op de Afdeling Radiotherapie-Oncologie in UZ Leuven worden dagelijks bijna 200 patiënten bestraald. Deze patiënten krijgen 1 tot 40 bestralingssessies, afhankelijk van de tumor waarvoor ze behandeld worden. Er zijn verschillende zorgprogramma’s voor radiotherapie-patiënten. Radiotherapie wordt dagelijks toegediend door verpleegkundigen en medische technologen. Daarnaast zijn er ook wekelijkse opvolgraadplegingen bij de behandelende arts-radiotherapeut. Tijdens deze raadplegingen worden voornamelijk de nevenwerkingen van de bestraling besproken en behandeld, maar worden ook andere vragen van patiënten en hun naasten beantwoord. Verder werken er op de afdeling diëtisten, wondzorgverpleegkundigen, sociale assistenten, psychologen en kinesitherapeuten.

Het vaststellen of een patiënt al of niet, op vaste momenten of niet, een raadpleging nodig heeft bij de arts of een andere hulpverlener is niet altijd evident. Niet alle patiënten krijgen op hetzelfde moment in hun behandeling acute nevenwerkingen, sommige patiënten hebben specifieke vragen voor hun arts en soms zijn er ook redenen waarom de arts zelf de patiënt geregeld wil zien. Ook de communicatie en interactie op zich is van belang: het is voor patiënten niet altijd gemakkelijk om symptomen die ze thuis ervaren later aan de arts te beschrijven.

Dit onderzoeksproject, uitgevoerd door masterstudente Lauren Van den Eynde onder supervisie van prof. dr. Stephanie Peeters, wil per zorgprogramma een vragenlijst opstellen die de bestraalde patiënt liefst dagelijks via een computer invult, ofwel thuis via het patiëntennetwerk MyNexuZ, ofwel in de wachtzaal van de bestralingsafdeling. De vragenlijsten worden opgesteld op basis van objectieve criteria die samenmet de supervisoren van de zorgprogramma’s gedefinieerd worden. Aan de hand van de ingevulde vragenlijsten wil dit onderzoek evalueren wanneer en hoe dikwijls de individuele patiënt in de verschillende zorgprogramma’s opvolgraadplegingen zouden moeten krijgen en bij welke hulpverleners.

Patiënten vullen de vragenlijsten in en die worden dan geëvalueerd door de verpleegkundigen die de patiënt bestralen en door de sociale assistenten. Naast de patiënt moeten ook andere zorgverleners, zoals de verpleegkundigen die de patiënt dagelijks bestralen of de behandelende radiotherapeut, input kunnen geven over de nood aan een opvolgraadpleging. De patiënten worden gericht doorverwezen op basis van hun antwoorden op de vragenlijsten. Zo zal een patiënt die vermagert een afspraak krijgen bij de diëtiste terwijl een patiënt die een rode huid heeft in bestraald gebied, verwezen moet worden naar de wondzorgverpleegkundige. Als de patiënt vooral last heeft van algemene acute neveneffecten of medische vragen heeft, zal hij gezien worden door een arts. Na de opvolgraadpleging wordt aan de behandelende hulpverleners gevraagd of het inderdaad nuttig was dat deze patiënt een raadpleging kreeg op basis van de ingevulde vragenlijsten. Uiteraard zal ook worden geëvalueerd of de patiënten zelf tevreden zijn met deze vorm van communicatie.

Deze masterproef is slechts één project binnen het breder onderzoek naar ‘patient reported outcome’. Als uit de resultaten blijkt dat de vragenlijsten nuttig zijn, kan de systematische invoering ervan leiden tot een meer persoonsgerichte behandeling voor de patiënt en tot een efficiëntere werking van de afdeling.
Patiënten die geen klachten hebben, hoeven na een bestralinggssessie niet meer nodeloos te wachten op een raadpleging bij een arts en patiënten die een andere zorgverlener nodig hebben, kunnen meteen bij de juiste persoon terecht. Artsen en zorgverleners kunnen dan ook tijd vrijmaken voor patiënten met reële vragen of problemen.